HOME

Rudolf Dekker

"Dat mijn lieven kinderen weten zouden...". Egodocumenten in Nederland van de zestiende tot de negentiende eeuw.

Opossum. Tijdschrift voor Historische en Kunstwetenschappen 3 (1993), p. 5-22.

Ongeveer dertig jaar geleden verrijkte de historicus Jacob Presser de nederlandse taal met een nieuw woord: egodocument. Hij bedoelde het woord als een verzamel-term om autobiografieën, memoires, dagboeken, persoonlijke brieven en dergelijke teksten mee aan te duiden, kortom, alle teksten waarin de auteur expliciet schrijft over eigen handelen en gevoelens.(1) Teksten waarin we een auteur impliciet leren kennen, zoals kasboeken, rekende Presser er niet toe. Pressers neologisme werd snel geaccepteerd, want het bleek een praktisch woord te zijn.

Pressers aanmoediging om egodocumenten te bestuderen vond in Nederland helaas weinig weerklank. Te lang bestond er het idee dat Nederlanders nu eenmaal weinig over zichzelf hebben geschreven. De vader van de moderne Nederlandse geschiedschrijving Robert Fruin beklaagde zich hierover in 1879 in de inleiding tot zijn tekstuitgave van de autobiografie van Coenraet Droste: 'Het betere..., waar is het te vinden?'. En de criticus Dirk Coster klaagde in 1914 dat het 'Ik' in de Nederlandse literatuur 'misdadig verwaarloosd en onontgonnen gebleven' is.(2) Meer recent constateerde Hans Warren, thans Nederlands bekendste literaire dagboekschrijver, nogmaals dat er in Nederland geen traditie bestaat op gebied van de dagboekliteratuur.(3)

Dit beeld vindt men ook in het buitenland. In een Amerikaanse studie over het Nederlandse volk schreef Adriaan J.Barnouw: 'This dislike of self-advertisment accounts for the scarcity in Dutch literature of books of memoirs, confessions, and diaries. Autobiographies, if written at all, are kept in the desk for posthumous publication, and relatives who survive the author are seldom inclined to gratify his ambition to survive himself'.(4) Ook in de literatuurgeschiedenis is de belangstelling gering. De Leuvense neerlandicus K.Porteman publiceerde in 1986 een artikel -het eerste!- over de autobiografie van de bekendste dichter van de Gouden Eeuw, Jacob Cats, en begon met de volgende constatering: 'In het vakgebied van de historische letterkunde is de studie van de tekstsoort autobiografie nagenoeg onbestaand'.(5) Van het tot voor kort bestaande gebrek aan belangstelling getuigt ook de constatering in het lemma 'dagboek' in de Grote Winkler Prins (1980): 'In het Nederlandse taalgebied is het aantal gepubliceerde dagboeken betrekkelijk gering'.

Lange tijd is de houding ten aanzien van egodocumenten gekenmerkt door gebrek aan interesse. Een recent voorbeeld vormen de wederwaardigheden van de autobiografie van Pieter Vreede (1750-1837), een van de meest kleurrijke Bataafse revolutionairen. Een argeloze voorbijganger vond het manuscript vijftien jaar geleden op de stoep van de Leidse uitgeverij Brill, waar de zolder kennelijk was opgeruimd. In 1990 werd de vondst getoond in het televisieprogramma Tussen Kunst en Kitsch. Deskundigen vertelden de nieuwe eigenaar dat zo'n manuscript misschien wel aardig is, maar in Nederland geen geldelijke waarde bezit. Er was geen enkele bibliotheek of archiefdienst die het initiatief nam om het manuscript te verwerven. Een toevallig kijkend historicus wist het manuscript te traceren, en dankzij zijn initiatief zal het binnenkort worden uitgegeven.(6)

Dit liep goed af, vaker gaat het verkeerd. Er kan een lange lijst worden gemaakt van egodocumenten die -soms tot voor kort- gesignaleerd zijn, die opduiken in de noten van artikelen of waarover een journalist ooit iets in een plaatselijke krant heeft geschreven, maar die inmiddels voorgoed van de aardbodem verdwenen lijken te zijn. In 1966 verscheen een korte beschrijving van het meer dan duizend pagina's tellende dagboek van de in haar tijd bekende schrijfster Margaretha Jacoba de Neufville, uit de eerste jaren van de negentiende eeuw. Het bevatte onder meer typeringen van personen uit het Amsterdamse culturele circuit, en getuigde van een voor die tijd uitzonderlijke mate van introspectie. Thans is het echter spoorloos.(7) En er zijn veel meer voorbeelden te geven. Zo weten we dat Maria van Reigersberch een autobiografie heeft geschreven. Het zou op zijn minst aardig te zijn uit de eerste hand te vernemen hoe zij haar man Hugo de Groot uit Loevestein liet ontsnappen, maar helaas, de verblijfplaats van het manuscript is niet bekend. Soms vernemen we uit levensbeschrijvingen het bestaan van dagboeken die door behulpzame nazaten werden vernietigd. Een typerende mededeling vinden we in een levensbericht van de achttiende-eeuwse dichter J.P.Kleyn: 'Na zijnen dood heeft men onder zijne papieren, een gedeelte van een Dagboek gevonden, dat hij in stilte voor zich zelven gehouden had en 'tgeen hem van de godsdienstige zijde zoo zeer vereert, als zijne overige schriften van den kant der kennis, smaak en genie'.(8) Maar of het nog bestaat, en zo ja, waar het zich bevindt, weten we niet. Soms raken onderdelen zoek. Zo bewaarde Nederlandse bekendste dagboekschrijver uit de zeventiende eeuw, Constantijn Huijgens jr., tussen de bladen van zijn dagboek een papiertje met een toverspreuk dat zou helpen tegen kiespijn. De uitgever van het dagboek meldt het in de editie van 1876, maar inmiddels is het papiertje verdwenen.

Behalve gebrek aan belangstelling voor egodocumenten in het algemeen bestond er in Nederland tot voor kort een praktisch probleem dat de bestudering belemmert. Egodocumenten waren moeilijk te traceren, vooral die in manuscript. Niemand kon inschatten hoeveel bewaard werden in handschriftverzamelingen van bibliotheken en in familiearchieven. Een inventarisatie, waarbij alle Nederlandse archieven, bibliotheken en musea werden bezocht, moest hier verandering in brengen. Een gids van egodocumenten is onlangs verschenen.(9) Er werd aangesloten bij een project in de provincie Friesland, waarvan de resultaten onlangs gepubliceerd zijn.(10)

De opzet van dit project was alsvolgt. We beperkten ons in de tijd tot de periode voor 1814. We zochten alleen in openbare archieven en bibliotheken. We zochten zowel naar teksten in druk als in manuscript. We namen de volgende tekstsoorten op: autobiografieën, memoires, dagboeken en reisjournalen. Verder hebben we een categorie genoemd 'persoonlijke aantekening', waaronder we verstaan over korte tijd bijgehouden notities, vaak naar aanleiding van een bepaalde kwestie, bijvoorbeeld een familieruzie. We namen familieboekjes of genealogische aantekeningen alleen op als er ook persoonlijke observaties van enige omvang in werden gevonden. Brieven bleven buiten beschouwing, zowel om praktische redenen als vanwege het feit dat er een project loopt, waarbij brieven centraal gecatalogiseerd worden.

In het algemeen hebben we onze begrippen ruim genomen. Een reden temeer daarvoor is het feit dat de autobiografie en het persoonlijke dagboek als tekst-vorm van vrij jonge datum zijn. Pas in de loop van enkele eeuwen namen deze genres hun moderne vorm aan. De geschiedenis van het woord autobiografie is illustratief. Net als 'egodocument' is het een neologisme, maar dan uit de negentiende eeuw. In het eerste deel van het Woordenboek der Nederlandsche Taal komt het woord dan ook niet voor. Er werden omslachtige omschrijvingen gebruikt, zoals in de 1721 gepubliceerde autobiografie van de predikant Passchier de Fyne over 'Het leven van ... door hem zelve beschreeven'. De Leidse hoogleraar J.W.te Water sprak in de inleiding van zijn autobiografie, geschreven rond 1820, over 'mijn levensberigt'. Moses Salomon Asser schreef zijn autobiografie in 1823 zette er 'Mijne biographie' boven. De uitgever van de autobiografie van C.R.T.Krayenhoff sprak in 1844 van 'eigen gedenkschriften' en van 'eigen-levensschets'.

In andere Europese talen deed het woord autobiografie zijn intrede rond 1800, in Nederland lijkt dat wat later te liggen.(11)

Het eerste gebruik in een historische context vinden in de Kronyk van het Historisch Genootschap in 1856. Vanaf die tijd wordt het woord vaker gebruikt. De Lutherse predikant J.Decker Zimmerman sprak in 1863 over zijn 'autobiografie'. L.van Toulon schreef zijn autobiografie in 1838, en sprak zelf van zijn 'herinneringen', maar de tekst werd rond 1875 posthuum uitgegeven als 'auto-biographie'. De autobiografie van de hoogleraar G.W.Vreede werd in 1883 door zijn zoon gepubliceerd met de omslachtige titel 'Levensschets van G.W.Vreede naar zijn eigen handschrift uitgegeven', maar in de inleiding noemde hij het boek een 'autobiographie'. Pas in de twintigste eeuw raakte de term autobiografie geheel ingeburgerd. Deze ontwikkeling is meer dan de geschiedenis van een woord, het begrip kreeg zijn moderne contouren.

Hierna zal een overzicht te geven de resultaten van de inventarisatie. Het zijn niet meer dan eerste impressies, die in de toekomst nader uitgewerkt zullen. Toch kunnen we al een indruk krijgen van enkele grote lijnen in de ontwikkeling van het egodocument in de Nederlandse geschiedenis.

Ontwikkeling.

In totaal zijn er 1121 egodocumenten gevonden in de loop van ruim drie eeuwen. Dit aantal is niet evenwichtig verdeeld in de loop der tijd, maar vertoont in een scherp stijgende lijn (fig.1). Het aantal bewaarde teksten over de hele zestiende eeuw is even groot als over het decennium 1800-1810. Na 1780 begon een sterke stijging, ongeveer eenderde van alle teksten ontstond nadien. Welke oorzaken zijn er voor deze toename? Natuurlijk is er een materiële kant: jongere teksten hebben gewoon meer kans te overleven. Belangrijker zijn echter andere factoren. Ten eerste nam de schrijfvaardigheid van de bevolking toe. De alfabetisering was in Nederland al in de zestiende eeuw relatief hoog, en tussen 1630 en 1780 werd het analfabetisme met bijna tweederde teruggebracht. Althans bij mannen, want vrouwen liepen hierbij sterk achter.(12) Steeds meer mensen waren dus door hun opleiding in staat gesteld hun leven te boek te stellen. Maar meer dan om deze technische vaardigheid, gaat het erom dat het schrift een belangrijker plaats in het leven ging innemen.

Een tweede factor is het feit dat culturele veranderingen het schrijven van egodocumenten stimuleerde. Belangrijk waren godsdienstige impulsen tot introspectie, met name aanwijsbaar bij hervormden. Het houden van een dagboek werd door predikanten aanbevolen. In gedrukte moralistische geschriften kon men aanmoedigingen daartoe vinden. Religieuze dagboeken werden gemodelleerd naar het voorbeeld van de Zwitserse predikant Lavater. Diens Unveränderte Fragmente aus dem Tagebuche eines Beobachters seiner Selbst uit 1773 had veel invloed in de Republiek en verscheen in vertaling. Er verschenen steeds meer gedrukte voorbeelden, ook van autobiografieën. Veelgelezen moet bijvoorbeeld die van de Jacob Cats zijn geweest. De tekst werd pas in de achttiende-eeuwse edities van zijn verzamelde werden werd opgenomen, maar vond toen wel wijde verspreiding gezien de ook toen nog grote populariteit van het werk van deze dichter. In de achttiende eeuw groeide de behoefte aan het schriftelijk vastleggen van het eigen leven overal in Europa. Het schrijven van egodocumenten kwam steeds meer in de mode kwam. Zeker sinds het midden van de achttiende eeuw komen er meer en meer aanwijzingen dat mensen elkaar aanzetten tot het schrijven van dagboeken en autobiografieën. Het is een trent die in heel Europa zichtbaar is. Het was een tijd waarin de eerste moderne autobiografieën werden geschreven, zoals die van Rousseau, Goethe en Gibbon.

De groei van het aantal egodocumenten blijkt echter niet lineair geweest. We kunnen de ontwikkeling uitsplitsen naar de diverse genres. Met name de ontwikkeling van het aantal dagboeken laat pieken zien (fig.2). Deze vallen samen met perioden van politieke crisis en oorlog. Zo vinden we rond 1570 veel dagboeken bijgehouden door burgers in belegerde steden. Ook het Rampjaar 1672, toen een oorlog met Engeland en Frankrijk uitbrak, vertoont een piek, en rond 1813 zijn er veel dagboeken van soldaten die in Franse dienst de veldtocht naar Rusland meemaakten.

Bij autobiografieën is de ontwikkeling geleidelijker. Er is hierbij uitgegaan van het geboorte jaar van de auteur, dus niet van het -vaak niet precies bekende- moment van schrijven. Een piek is waar te nemen in de periode 1570-1590, dat wil zeggen dat de generatie die en die de Tachtigjarige Oorlog meemaakte en in de Gouden Eeuw leefde relatief veel geschreven heeft. Daarna zien we in de achttiende eeuw een geleidelijke toename. De daling na 1800 is een vertekening, omdat geen manuscripten zijn opgenomen van auteurs geboren na 1800. Op langere termijn heeft de stijging die tot 1800 zichtbaar is zich ongetwijfeld voortgezet in de negentiende eeuw.

Het is moelijk te zeggen of het totaal aantal van ruim 1100 egodocumenten veel of weinig is in vergelijking met andere landen, omdat er nauwelijks vergelijkbare repertoria bestaan. Madeleine Foisil meent in haar bijdrage over egodocumenten in vroeg-modern Europa in Histoire de la vie privée dat er in Frankrijk minder werd geschreven dan in Engeland.(13)

Franse teksten hebben naar haar mening bovendien minder een privé-karakter. Nederland was een veel kleiner land dan deze twee grootmachten. Het telde in deze eeuwen ongeveer twee miljoen inwoners, tegenover Frankrijk 19 en Engeland 9 miljoen. Verhoudingsgewijze mag de oogst in Nederland vermoedelijk niet gering worden genoemd. We kunnen het land dan ook eerder met Engeland dan met Frankrijk vergelijken. Tenslotte, aantallen alleen hebben natuurlijk slechts een beperkte betekenis. Belangrijker is het dat er in Nederland een aantal individuele teksten is overgeleverd van uitzonderlijke betekenis. Om slechts één voorbeeld te noemen, er is geen dagboek in Europa in de zeventiende eeuw, waarin zo uitvoerig verslag wordt gedaan van de opvoeding van kinderen als dat van Constantijn Huygens (1596-1687).



Geografie.

Zoals in Europa naar het schijnt de productie van egodocumenten verschilde van land tot land, zo verschilde deze ook binnen Nederland van regio tot regio. De geografische spreiding van de herkomst van de auteurs van egodocumenten is niet evenwichtig, zoals bijgaand kaartje aangeeft (fig.3). Verreweg de meeste teksten werden geschreven door auteurs die waren geboren in de provincies Holland en Zeeland, in totaal 226. Auteurs uit de rest van het land tekenden voor 140 documenten. Deze cijfers liggen lager dan het totaal aantal documenten, ten eerste omdat in deze berekening de reisjournalen buiten beschouwing gebleven zijn, ten tweede omdat sommige auteurs meerdere teksten hebben geschreven, en ten derde omdat we niet van alle auteurs de geboorteplaats kennen. Maar ze geven een duidelijke indicatie. In de kustprovincies woonden evenveel mensen als in de rest van het land, namelijk een miljoen inwoners. De verklaring voor het verschil moeten we dan ook ergens anders zoeken, namelijk in het hogere niveau van ontwikkeling en de hogere graad van verstedelijking in Holland en Zeeland. Daarnaast valt op dat ook het noordelijke Friesland een relatief hoge productie kende, zeker in vergelijking met het naburige Groningen.

In Friesland bestond al in de zestiende eeuw een hoge graad van geletterdheid, zelfs onder boeren.(14) De Friese edelman en rebel tegen het Habsburgse gezag Jancko Douwama schreef een van de oudste autobiografieën, nadat hij door keizer Karel V rond 1500 gevangen was gezet. De Friese boer Dirck Jansz schreef kort na 1600 een soort dagboek, waarin hij ons veel vertelt over zijn huwelijken, kinderen, ziektes en lectuur. Het is de oudste autobiografische getuigenis van een eenvoudige boer in Nederland.

In de oostelijke en zuidelijke provincies vinden we veel minder auteurs. Met name het katholieke zuiden is arm aan egodocumenten. Daarvoor zijn verschillende redenen aan te wijzen. Het was een dunbevolkt en achtergebleven gebied, met een agrarisch karakter, en het werd bestuurd door de centrale regering in Den Haag. Er was dus geen belangrijke economische en politieke elite, terwijl deze groepen elders juist een groot aandeel hadden in het schrijven van egodocumenten.

De meeste egodocumenten ontstonden in een stedelijke omgeving. Er zijn wel enkele schrijvende boeren, maar zij blijven een uitzondering. De meeste op het platteland wonende auteurs zijn edellieden en regenten, predikanten en andere lieden die niet rechtstreeks bij het agrarisch bedrijf betrokken zijn.



Vorm.

De materiële vorm van de in manuscript overgeleverde egodocumenten is zeer divers. Soms zijn het weinig meer dan een verzameling kladblaadjes. De Utrechtse apotheker Hendrik Keettell hield zijn dagboek over de periode 1793-1816 bijvoorbeeld bij op bijna tweeduizend poederpapiertjes. Andere dagboeken zijn in het net overgeleverd, maar ontstonden wel op basis van kladnotities. David Beck noteerde in zijn dagboek over het jaar 1624 dat hij de tekst overschreef voor elk van zijn drie kinderen. Hij was een schoolmeester die befaamd was vanwege zijn fraaie handschrift. De kopieën schreef hij in een prachtig miniatuurschrift dat zonder vergrootglas onleesbaar is.(15) Constantijn Huygens jr. noteerde in zijn dagboek eveneens regelmatig het in het net schrijven van zijn kladaantekeningen. Dit is een nauwkeurigheid die de ware dagboekschrijver typeert.

In de loop der tijd kwamen er meer auteurs die hun dagboek bijhielden in almanakken. De gedrukte almanak was een nieuwe vorm van drukwerk, een voorloper van de agenda. In plaats van als agenda werden almanakken vaker gebruikt om summier de dagelijkse bezigheden vast te leggen. De oudste voorbeelden zijn de Gelderse edelman Otto van Wijhe, die gebruik maakte van een Deventer Almanak voor het jaar 1574, en de Haarlemse edelman Jan Maartensz. van Sypesteyn, van wie we almanakken hebben uit 1595 en 1599. Uit latere jaren zijn er soms hele series, zoals van de Amsterdamse burgemeester Pieter de Graeff die veertig almanakken, in totaal zo'n 1600 bladzijden, volschreef tussen 1664 en 1706.

Ook autobiografieën zijn in verschillende stadia overgeleverd. Sommige auteurs kwamen niet verder dan het maken van kladaantekeningen. Hugo van Zuylen van Nyevelt (1781-1853) sorteerde zijn persoonlijke papieren, en beschreef op de omslagen in tien 'époques' zijn levensloop. Ook Gijsbert Karel van Hogendorp (1762-1834) kwam niet verder dan het ordenen van de grote massa papier die hij tijdens zijn politieke carrière verzameld had, en het al doende maken van korte notities. Aan het schrijven van zijn mémoires kwam hij niet meer toe, slechts de opzet voor het boek is bewaard gebleven. Daartegenover zijn er ook uitvoerige autobiografieën die keurig in het net werden geschreven. Sommige auteurs lieten hun levensverhaal in een kostbare leren band binden, zoals de militair Willem de Vaynes van Brakell (1763-1843).

Egodocumenten karakteriseert men tegenwoordig als strikt persoonlijk en uniek, maar van sommige manuscripten is het zeker dat ze in afschrift hebben gecirculeerd. Dat geldt met name voor enkele religieuze autobiografieën en dagboeken die in piëtistische kringen populair waren. Deze egodocumenten hadden een voorbeeldfunctie voor andere gelovigen. Dergelijke teksten verschenen ook in druk, soms kort na het overlijden van de auteur.(16) Zo werd bijvoorbeeld het latijnse dagboek van de in 1726 gestorven predikant Sicco Tjaden door een collega vertaald en uitgegeven. Het boek verscheen een jaar na diens dood, en werd in 1735 en 1751 opnieuw uitgegeven.(17)

Verder schreven enkele geleerden hun autobiografie op uitnodiging van hun uitgevers. Die van Gerard Vossius (1577-1649) is in handschrift in verschillende stadia bewaard gebleven. We hebben een eerste versie in de eerste persoon, en een definitieve versie in de derde persoon. Deze laatste werd in 1625 gepubliceerd in een werk over de universiteitstad Leiden, Athenae Batavae, waarin ook andere autobiografieën van Leidse hoogleraren waren opgenomen.(18)

Uitgevers hebben van oudsher een stimulerende rol gespeeld in het ontstaan van autobiografieën, vooral die van beroemdheden.

Een zeer uitzonderlijke ontstaansgeschiedenis had de autobiografie van Maria van Antwerpen, die in 1751 in druk verscheen. Deze vrouw had zich getransformeerd tot man en had jarenlang als soldaat dienst gedaan, tot ze door de mand viel en gearresteerd werd. Een medegevangene luisterde naar haar verhalen en schreef ze op. Het resultaat lijkt op het eerste gezicht een fictieve schelmenromen, maar archief onderzoek wees uit dat de vrouw en haar 'ghostwriter' inderdaad in dezelfde gevangenis zaten, en vergelijking met uitvoerige gerechtelijke verhoren bevestigen de authenticiteit.

Ook een andere materiële kant van de egodocumenten is een nadere beschouwing waard: de omvang. Sommige vallen op door hun extreme lengte. Dat geldt uiteraard vooral voor dagboeken, die vrijwel onbeperkt kunnen aangroeien. Dat van Lieuwe van Aitzema (1600-1669), historicus, diplomaat en bovenal spion, telt ongeveer 5000 bladzijden, maar het bevat dan ook veel afschriften van brieven. Andere voorbeelden zijn het dagboek van Rijklof Michael van Goens (1748-1810), hoogleraar te Utrecht, en later om politieke redenen uitgeweken naar Zwitserland en Duitsland, dat ongeveer 4300 bladzijden telt Het bevat aantekeningen van zijn dagelijkse bezigheden, lectuur gezondheidstoestand, maaltijden, medische recepten en verrichtingen en huishoudelijke zaken. Het verdwenen dagboek van de schrijfster Margaretha Jacoba de Neufville telde niet minder dan 1700 bladzijden over de periode 1803-1807.

Het meest extreme voorbeeld is het dagboek van Willem de Clercq (1795-1844) dat zo'n 13.000 bladzijden telt. Het schrijven was een levenswerk, de hij was al met zijn achtste jaar begonnen, en bleef zijn dagboek bijhouden tot kort voor zijn dood. Het is een typisch voorbeeld van een dagboek uit de tijd van de Romantiek. De Clercq vergeleken worden met degeen die geldt als het voorbeeld bij uitstek van de compulsieve dagboekschrijver, Henri-Frédéric Amiel. Het is een echt journal intime, waarin De Clercq openhartig schrijft over zichzelf en zijn gebreken analyseert. Hij schrijft bijvoorbeeld veel over de conflicten die hij had met twee van zijn zoons. Ook over zijn religieuse twijfels schrijft De Clercq veel. Hij was een voorman van de Réveil-beweging, die een vernieuwing van het christelijk geloof voorstond waarbij romantische ideeën werden gecombineerd met een teruggrijpen op de zeventiende-eeuwse orthodoxie.

De meeste teksten zijn veel korter van omvang. Dat geldt zeker voor de meeste autobiografieën. Veel daarvan grenzen aan het genre van het zakelijke curriculum vitae, en tellen niet meer dan enkele bladzijden. Er is echter een minimumlengte van, als regel, tien bladzijden aangehouden om een tekst op te nemen in ons overzicht. Toch zijn er ook wel enkele uitvoerige autobiografieën, zoals die van de predikant Caspar Sibelius (1590-1658), die bijna 1300 bladzijden telt, waarbij nog opgemerkt moet worden dat het manuscript aanvankelijk langer was, omdat er een deel van verloren is gegaan.





Genre en stijl.



Egodocumenten behoren niet tot een vastomlijnd genre. Integendeel, er lijkt een vrijwel totale vormvrijheid te bestaan, iets waarover veel literatuur-historici hun hoofd over gebroken hebben. Wij hebben op praktische gronden gekozen voor de volgende indeling: memoires, autobiografieën, dagboeken, familieboekjes en reisjournalen. Over het onderscheid tussen deze verschillende genres kan lang gediscussieerd worden, maar één ding is zeker: de grenzen zijn vaag. Er is een geweldige variatie in stijl, maar toch zien we bepaalde terugkerende kenmerken.

De 490 reisjournalen vormen de grootste groep en zijn het eenvormigst met de steeds terugkerende informatie over trajecten, herbergen, bezienswaardigheden en reisgezelschap. Er zijn verschillende uitgebreide journalen van grand tours, de educatiereizen van jongeren uit de elite. Deze reizen konden vaak meer dan een jaar duren, de verslagen tellen vaak honderden pagina's.(19) In de achttiende eeuw nam het verschijnsel van de grand tour in betekenis af. In die eeuw is er wel een toename van verslagen van korte reizen, van een tot drie weken, dikwijls naar badplaatsen als Spa en Kleef, gelegen juist buiten het grondgebied van de Republiek. In deze korte reisjournalen zien we het ontstaan van het moderne tourisme.(20)

Autobiografieën en memoires vormen met ruim 200 teksten ongeveer een vijfde van het totale bestand. In deze teksten zien we nog enige eenvormigheid, immers, het vertellen van het eigen levensverhaal is aan zekere regels onderhevig. Er zijn verschillende vaste patronen te herkennen. De piëtistische autobiografieën, die vooral een bekeringsgeschiedenis zijn, volgen bij uitstek een vast patroon, waarin de 'nadere bekering' een kernplaats in het levensverhaal inneemt.

Sommige autobiografieën werden geschreven in een verzorgde stijl, dat geldt zeker voor die welke voor publicatie bestemd waren. Een aparte plaats neemt de autobiografie op rijm in, waarvan de bekendste is die van de dichter en staatsman Jacob Cats, uit het midden van de zeventiende eeuw. Rijm vinden we ook bij Coenraad Droste in de zeventiende, Gerardus de Jong in de achttiende, en Egbert Koning in de negentiende eeuw. Het gebruik van rijm raakte onder de elite in de loop van drie eeuwen in discrediet, maar bleef populair onder het gewone volk: Droste kwam uit de regentenstand, De Jong was een onderwijzer, en Koning een eenvoudig arbeider.

Dagboeken nemen met een aantal van eveneens ruim 200 een even groot aandeel in als autobiografieën. In dagboeken is veel minder sprake van een vloeiende stijl. Ze werden vaak voor eigen gebruik bijgehouden, en met lezers werd geen rekening gehouden. Soms is de notatie zelfs zo kort dat het de interpretatie belemmert. Constantijn Huygens jr. liet in zijn dagboek bijvoorbeeld systematisch essentiële syntactische informatie weg, waardoor we vaak niet weten wie wat tegen wie zei of deed. En het dagboek van Rijklof Michael van Goens lijkt soms wel stenoschrift met al zijn afkortingen. Een uitzondering zijn enkele religieus-literaire dagboeken die in een zorgvuldige, piëtistische taal geschreven zijn, zoals dat gepubliceerd door de bekende achttiende-eeuwse schrijver Hieronymus van Alphen. Dit dagboek is des temeer van belang, omdat het vergeleken kan worden met het èchte dagboek dat Van Alphen bijhield.(21)

De overige egodocumenten zijn vooral wat wij genoemd hebben persoonlijke aantekeningen, en vormen een zeer divers geheel. Daarnaast zijn er nog de familieboekjes, waarvan we er slechts weinig hebben opgenomen. Deze volgen familieboekjes wel een standaard patroon, het zijn een soort particuliere burgerlijke stand, een boekhouding van geboorten, huwelijken en sterfgevallen, waarin als regel weinig plaats is voor persoonlijke beschouwingen.

Het woord egodocument impliceert welhaast schrijven in de eerste persoon. Toch hebben met name enkele autobiografen zich van de derde persoon bediend. Het geldt met name enkele autobiografieën die voor publicatie bestemd waren, zoals de reeds genoemde teksten van Gerard Vossius en C.R.T.Krayenhoff. Het gebruik van de derde persoon had tot doel het scheppen van distantie. Dat kon niet altijd worden volgehouden. Hendrik van Stralen schreef zijn autobiografie in de derde persoon, maar de dood van zijn vrouw beschreef hij in de eerste persoon.



Taal.

Taal vertelt ons veel over egodocumenten, en egodocumenten vertellen ons, omgekeerd, veel over taal. Ten eerste zijn er de variaties in het Nederlands. Of beter, van 'het' Nederlands was nog geen sprake. Dialecten en sociolecten waren voor de negentiende eeuw belangrijker dan thans. Slechts weinig egodocumengen zijn taalkundig geanalyseerd, zoals het dagboek van Dirck Jansz. en dat van het Zaanse meisje Aafje Gijsen.(22) Men kan daarnaast ook spreken van religieuze dialecten. Met name piëtisten gebruikten hun eigen vocabulair om hun relatie met God te beschrijven. Hun taalgebruikt wordt thans door specialisten bestudeerd, die er hele woordenboeken van hebben samengesteld.

Verder werden niet alle egodocumenten in het Nederlands geschreven, 10 tot 20 procent was in een andere taal (fig.4). Sommige teksten zijn een mengeling van Nederlands en andere talen. Binnen het gebied van de Republiek werd nog een andere taal gesproken: het Fries. Er zijn echter slechts enkele Friese egodocumenten bewaard gebleven van voor 1814. In de Friese burgerij en elite was het Nederlands al in de zestiende eeuw de schijftaal geworden. Het belang van het Fries nam pas in de negentiende eeuw toe. Dit wordt bevestigd door het Friese repertorium van egodocumenten, waarin tot 1850 slechts 2% Friese teksten zijn opgenomen, tegen 10% in de periode 1850-1900 en meer dan 30% in de periode daarna.

Belangrijker is dat sommige immigranten hun eigen taal bleven gebruiken: Sefardische joden het Portugees, Azkenazische joden het jiddisch, een enkele Duitser het Duits, Franse hugenoten het Frans. Het gaat hierbij slechts om kleine aantallen. Verder bedienden geboren Nederlanders zich meermaals van andere talen. In de eerste plaats het Latijn, waarvan het gebruik in heel Europa van belang bleef tot in de achttiende eeuw.(23) Erasmus en andere humanisten schreven hun autobiografie in deze taal, en hielden er ook hun dagboeken of reisjournalen in bij. De reeds genoemde predikant Sybelius schreef rond 1630 een 1300 bladzijden tellende latijnse autobiografie. In de achttiende eeuw raakte het latijn in onbruik, behalve bij de rooms-katholieke geestelijkheid.

Het verval van het latijn wordt weerspiegeld in de opkomst van het Frans.(24) Beheersing van deze taal werd binnen de elite van belang geacht. Coenraet Droste vertelt in zijn autobiografie dat hij een 'speelreis' naar Frankrijk ondernam 'Om de welleventheyt en Franse tael te leeren/Die kan een Edelman in Hollant niet ontbeeren'. In sommige huisgezinnen werd, zo lang de kinderen jong waren, alleen Frans gesproken, dit ten behoeve van hun opvoeding. Constantijn Huygens vertelt het in zijn autobiografie over zijn opvoeding in het begin van zeventiende eeuw, en de Groningse regent Willem Hora Siccama over de zijn in de late achttiende eeuw. Voor velen was het Frans bij uitstek de taal om persoonlijke gevoelens in te verwoorden - het was, binnen de elite, tenslotte ook de taal waarin men romans las (vaak ook Engelse romans, in Franse vertaling). Eén van de belangrijkste Nederlandse schrijfsters uit de achtiende eeuw publiceerde haar hele oeuvre in het Frans, Belle van Zuijlen. Omgekeerd schreef de reeds genoemde mevrouw De Neufville haar romans in he Nederlands, maar haar dagboek in het Frans. Hoe diep het gebruik van Frans geworteld was blijkt uit het voorbeeld van de politicus Gijsbert-Karel van Hogendorp. Hij schreef dagboeken en memoires in het Frans, hoewel hij politiek gezien sterk anti-Frans was, en hij in 1813 een der bouwers van de nationale Nederlandse staat was. Een ander voorbeeld uit deze tijd is het Franse dagboek van Magdalena van Schinne, een uniek persoonlijk document. Zij bleef Frans schrijven, hoewel ze oranjegezind was, hoewel haar broer ten gevolge van de Franse inval in 1795 zijn ambt van baljuw verloor, en zelfs ondanks het feit dat haar andere broer omkwam terwijl hij in dienst van het Engelse leger steed tegen de Fransen. Magdalena van Schinne zag zichzelf kennelijk niet zozeer behoren tot een nationale Nederlandse, maar tot een internationale europese cultuur, waarbinnen het Frans nu eenmaal de dominerende taal was.(25)

Engels komen we nauwelijks tegen, behalve bij een excentriek geleerde, R.M. van Goens, die een Engelse moeder had. Het Engels was voor hem mogelijk ook een taal van protest, al was het in dit geval doorslaggevend dat hij zijn leven verhaalde voor engelse lezers. Tijdens de Patriotten-revolutie in de jaren '80 van de 18e eeuw had hij het land verlaten om er nooit meer terug te keren. Een saillant detail: zijn Engelse boeken had hij willen achterlaten bij de Utrechtse universiteit, waar hij hoogleraar was geweest - de gift werd echter niet aangenomen: bijna niemand kon immers Engels lezen. Verder schreef de naar Amerika uitgeweken Patriot en revolutionair F.A. van der Kemp (1752-1829) een Engelse autobiografie voor zijn zoon. Het is opmerkelijk dat juist in deze twee autobiografieën ruimte is voor humor en enige zelfspot, bijvoorbeeld in een passage waar Van Goens verslag doet van een ziekte waarvoor hij zoveel pillen slikte dat hij 'smelled like an apothecary shop'. Leende het Engels zich voor zulke ironie beter dan het Nederlands?

Een geval apart zijn de egodocumenten waarin meerdere talen zijn gebruikt. Vooral rond 1600 zijn er enkele geleerde schrijvers die graag hun talenkennis etaleren. De Groningse stadssectretaris Johannes Julsing schreef zijn dagboek in het Nederlands, Latijn, Duits, Frans, Spaans, en Grieks, terwijl hij af en toe het hebreeuwse alfabet gebruikte, dit alles dikwijls binnen één zin. Vrijwel zeker ging het om meer dan een geleerd vermaak, want hij schreef zijn dagboek tijdens de onzekere tijd van de Tachtigjarige Oorlog en wilde zijn politieke observaties ontoegankelijk houden. Lieuwe van Aitzema gebruikt in zijn dagboek Nederlands, Spaans Latijn, Frans en Engels, eveneens om politieke redenenen. Andere auteurs switschten om meer persoonlijke redenen naar andere talen. De Utrechtse professor Aernout van Buchell schreef over liefdeszaken slechts in Frans en Italiaans, misschien ook omdat zulke passages in die talen nu eenmaal beter klinken. Zulk incidenteel gebruik van andere talen komen we wel vaker tegen. De Groningse ambachtsman Gerard Udinck, die van 1663 tot 1665 vanwege oproerige activiteiten als balling in Duistland leefde en toen een dagboek bijhield, schreef in het Frans wanneer hij een fles wijn koopt, wanneer hij een kater heeft, en wanneer de meid geld nodig heeft voor een hemd. Dat waren kennelijk zaken waarvoor hij zich geneerde, of die hij verborgen wilde houden voor zijn vrouw. Een stapje verder was het gebruik van een geheimschrift, wat we ook meerdere malen zijn tegengekomen. Constantijn Huygens jr. deed dat bijvoorbeeld. Hij was secretaris van de Prins van Oranje en koning van Engeland Willem III, en daardoor gewend vrijwel dagelijks gebruik te maken van cijferschriften. Dat van zijn dagboek werd pas ontcijferd toen bij toeval de sleutel enkele jaren geleden opdook - en het bleek uiterst simpel te zijn. Huygens wordt wel de Nederlandse Pepys genoemd. Maar dan met één verschil, Pepys schreef over zijn eigen seksuele activiteiten, Huygens vooral over die van anderen.(26)

Een tijdgenoot, Lodewijk van der Saan (1655-?), klerk op de Hollanse ambassade in Londen, hield het simpeler, en schreef af en toe gewoon nederlands met griekse letters, ondermeer een passage waarin hij de kwaliteiten van prostituées uit diverse landen met elkaar vergeleek, die uit Italië waren verreweg de beste.

Een interessant geval van een tweetalig dagboek geeft een Ierse vrouw die getrouwd was met een Nederlands militair.(27) Haar dagboek is in het Engels - kennelijk de taal waarin ze was blijven denken-maar dialogen zijn vaak weergegeven in het Frans, kennelijk de taal waarin men in haar kringen communiceerde. Nederlands komt er nauwelijks in voor. Tenslotte kon er ook een educatief aspect zitten aan het gebruik van vreemde talen. Er is bijvoorbeeld een Frans kinderdagboek van de in 1775 geboren A.J.van der Hoop bewaard, waarin we correcties vinden door een ouder of leraar. En er is een dagboek door de jeugdige Delftse burger Adrianus van Overschie van een grand tour in 1674. Hij schreef in drie talen: Italiaans in Italië, Spaans in Spanje, Frans overal elders. Juist op reis kon men goed zijn talen oefenen, en het was handig wanneer men er meerdere beheerste.

Er zijn waarschijnlijk relatief veel Nederlandse egodocumenten in vreemde talen geschreven. Nederlanders hechtten van oudsher groot belang aan het leren van vreemde talen. Dit is logisch binnen een klein taalgebied, waar handel en zeevaart belangrijk bronnen voor de economie waren. Nederlanders waren ook trots op hun taalkundige vaardigheden. Een aardig bewijs hiervoor vinden we in het reisjournaal van de predikant en bekende bestrijder van het heksengeloof Balthasar Bekker, die in het verslag van een reis door Frankrijk en Engeland in 1683 beschrijft hoe zijn reisgezelschap hem tot 'meester van de talen' benoemde, dat wil zeggen degeen die bepaalde in welke taal men moest converseren.

Het gebruik van vreemde talen in egodocumenten verbaast de moderne lezer, en in de negentiende en twintigste eeuw is het vrijwel verdwenen. Zeker is dit ook een gevolg van de ontwikkeling van een nederlandse identiteit. Het spreken van het nederlands was voor circa 1800 nog niet zozeer een vast onderdeel van iemands identiteit als in de moderne nationale eenheidsstaat, waar het taalonderwijs en zelfs de spelling bij de wet geregeld werden.



Schrijvers.

De ontwikkeling van de autobiografie is vaak in verband gebracht met de opkomst van de burgerij. Juist de opgeklommen burgers zouden de behoefte aan zelfbeschouwing hebben gehad, onder meer voortvloeiend uit hun onderzekere status: ze werden gedwongen zich af te vragen waar ze behoorden. In Nederland nam de burgerij al vroeg een belangrijk positie in, zeker sinds de Opstand tegen Spanje. Heeft dat invloed gehad op de productie van egodocumenten?

Het is gebruikelijk de Nederlandse samenleving uit de zestiende tot achttiende eeuw in te delen in een zestal sociale lagen.(28)

De eerste is die van adel en regenten, ook al werd binnen deze elite adeldom nog steeds als een belangrijk standsonderscheid beschouwd. Daaronder komt een tweede groep van grote kooplieden en ondernemers, hoge ambtenaren en hoge militairen. Daaronder komt de numeriek grotere derde groep van mensen met een universitaire opleiding en met beroepen als hoogleraar, medicus, advocaat, en het middenkader van de ambtenarij. Daaronder komt de vierde groep van zelfstandige ambachtslieden, winkeliers, schoolmeesters, en op het platteland de boeren. De vijfde groep wordt gevormd door knechts in vaste dienst, soldaten en matrozen. De zesde en laatste groep wordt gevormd door loswerklieden en bedeelden. Zoals uit de bijgaande grafiek (fig.5) blijkt, behoren de meeste auteurs tot midden- en hogere lagen van de samenleving. Wel zien we een toename van het aantal auteurs uit de lagere standen. Alleen uit de onderste laag van de samenleving is geen enkele auteur naar voren gekomen.

Binnen de elite is het Oranje-huis goed vertegenwoordigd. Zo zijn er de memoires die Johan Lodewijk van Nassau (1590-1653) voor zijn kinderen schreef, de gedenkschriften van stadhouder Frederik Hendrik (1584-1647), die in 1733 in druk verschenen, en de aardige jeugdherinneringen van prinses Wilhelmina van Pruisen (1751-1820). Veel militairen, zowel te land als ter zee, hebben hun belevenissen beschreven, meestal in de hogere rangen.(29)

Een opmerkelijke autobiografie van een gewoon soldaat is het levensverhaal van de reeds genoemde Maria van Antwerpen. Veel is vooral geschreven door degenen die ook beroepsmatig de pen hanteerden: predikanten, hoogleraren, juristen, mensen met een universitaire scholing, maar ook eenvoudige onderwijzers. De meer eenvoudige auteurs behoren vaak tot meest interessante. Er zijn ambachtslieden, waaronder een timmerman, een rijglijfmaker, een wagenmaker, een scheepstimmerman. Er zijn winkeliers, zoals een apotheker, een kruidenier, een boekhandelaar. Er zijn vissers en boeren. En uit de één-na-laagste laag zijn er een marskramer en een dienstbode. Tot de opmerkelijkste autobiografieën behoort die van de Amsterdammer Harmannus Verbeecq. We krijgen er een goed beeld uit van het leven van het gewone volk in Amsterdam in de eerste helft van de zeventiende eeuw, vooral omdat Verbeecq geen carrière maakte. Integendeel, hij mislukte als bontwerker, als winkelier, en als makelaar, en was zelfs een tijd lang afhankelijk van bijstand.

Bij het bepalen van de sociale status van de auteurs hebben we vooral gekeken naar rijkdom, openbare ambten en beroep. Vrij veel auteurs hebben in de loop van hun leven hun positie verbeterd; er zijn relatief veel sociale stijgers onder hen, die vaak via een universitaire studie hogerop zijn gekomen. Een vroeg voorbeeld is Wigle van Aytta van Zwichem, meer bekend als Viglius. De intellectuele vermogens van deze Friese boerenzoon vielen al op toen hij boekjes las onder het hoeden van de koeien. Hij ging studeren en bracht het tot voorzitter van de Raad van State onder koning Filips II. Een ander voorbeeld is de reeds genoemde predikant Passchier de Fijne, de zoon van een eenvoudige lakenbereider, die in het begin van de Tachtigjarige Oorlog uit de Zuidelijke Nederlanden was gevlucht. Hij beschrijft in zijn autobiografie hoe hij al op zesjarige leeftijd moest meewerken in de werkplaats van zijn vader. Maar ook hij viel op door zijn leergierigheid en werd door bemiddelde Vlaamse immigranten in staat gesteld te studeren. Een voorbeeld uit latere tijd is Willem van den Hull (1778-1858), de zoon van een Haarlemse brievenbesteller, die opklom tot houder van een aanzienlijke kostschool, en wiens lange autobiografie getuigt van wat welhaast een obsessie met sociale posities genoemd kan worden.

Het aandeel van de vrouwen is gering, hooguit 10% Maar daaronder vinden we wel enkele van de meest opmerkelijke teksten, bijvoorbeeld de autobiografie van Elisabeth Strouven, die in Maastricht een gemeenschap van religieuze vrouwen stichtte en onder meer pestlijders verpleegde.(30)

Bekender is de autobiografie van Anna Maria van Schurman, Nederlands meest geleerde vrouw uit de zeventiende eeuw.(31) Zeer bijzonder is ook het reeds genoemde dagboek, het eerste echte 'journal intime' in Nederland, dat Magdalena van Schinne in het eind van de achttiende eeuw bijhield. Relatief veel vrouwen schreven vanuit een godsdienstige inspiratie. Elisabeth Strouven schreef op verzoek van haar biechtvader. en er zijn vrij veel schrijfsters van piëtistische dagboeken en bekeringsgeschiedenissen. Waarom bleven zij desondanks zo uitzonderlijk? Vermoedelijk was zelf binnen de burgerij de schrijfvaardigheid van vrouwen geringer dan die van mannen. Als ze konden schrijven, maakten ze er toch minder gebruik van in de beroepspraktijk. Vrouwen behoorden niet tot degenen die via latijnse school en universiteits deel gingen uitmaken van de groep intellectuele, die nu juist zo'n groot aandeel had in de productie van egodocumenten. Het gevolg is dat de vrouwen die wel schreven, zich minder van literaire tradities bewust waren. Zo lijkt de autobiografie van Elisabeth Strouven dichter bij orale dan schriftelijke verhaaltradities te staan. En omdat ze een geboren vertelster was, maakt dat haar autobiografie in moderne ogen juist bijzonder.

Aparte vermelding verdienen tenslotte de dagboeken die door kinderen werden bijgehouden. We tellen er een dozijn van kinderen onder de elf jaar. Dergelijke kinderdagboeken zijn zeldzaam, en geven ons bijzondere informatie over opvoeding en onderwijs. Het uitvoerigste is dat van Otto van Eck (1780-1798), die van zijn elfde tot zestiende jaar zo'n 1600 (kleine) bladzijden vol schreef. De nog grotendeels ongeschreven geschiedenis van het kind in Nederland hoeft dus niet alleen vanuit het standpunt van de volwassenen geschreven te worden.(32)





Motieven.

Waarom werden egodocumenten geschreven? En veranderden de motieven van de auteurs in de loop der tijd? Bij het beantwoorden van deze vragen kunnen we onderscheid maken tussen de motieven waarvan de auteur zich bewust was, en de dieper liggende, vaak onbewuste motieven. We zullen ons hier beperken tot de motieven die expliciet door de auteurs zelf gegeven zijn. Ze lieten zich daarover in niet minder dan 151 gevallen.

In elk geval gaat het er vaak om dat men iets wil vastleggen om te voorkomen dat men het vergeet. Toen Coenraet Droste rond 1720 besloot zijn memoires op papier te zetten gaf hij als reden 'op dat sulx niet verdwyne uyt myn geheugchenis'. De Rotterdamse schilder Gerard van Nijmegen verwoordde dit motief bloemrijker in verslag van een reis naar Duitsland: 'Ik schrijf voor mijzelve en voor mijn waardige echt- en reisgenote, om, als wij oud zijn geworden, als wij tesamen niet meer kunnen reizen dan naar de Hemel, om dan in 't hoekje van den haard, in onze armstoel gezeten, in tussenpozingen van hoest, jicht, rumatique pijnen, of van alle tegelijk ... dan nog eens te kunnen leezen, of horen leezen, hetgeen wij op onze reizen gezien, gehoord, en gedaan hebben en daarom wil ik zelf[s] over beuzelingen bijzonder zijn'. De hoogleraar G.W.Vreede (1809-1880) begon zijn autobiografie alsvolgt: 'Sedert eenige weken ambteloos en ten gevolge zoo[wel] van een ernstige ziekte als van gebreken aan mijn gevorden leeftijd niet zelden moe en afgemat, wil ik trachten mijn geest op te wekken door het aandenken te verfrisschen van hetgeen mij tot heden van mijne jeugd af is wedervaren'. Het vastleggen van herinneringen is natuurlijk het meest fundamentele motief om egodocumenten te schrijven, en is in veel andere teksten impiciet aanwezig.

Deze vastlegging gebeurde soms voor zuiver en alleen voor de auteur zelf. In een vijfde van de teksten staat dat expliciet vermeld. De reeds genoemde Groningse ambachtsman Udinck schreef voorin zijn dagboek: 'Begeere datt deesen na mijn doodt, te weeten deese kladde, mag in 't vuyr verbrant worden, want hijr nijdt sonderligs in iss, als alleen gedient tot mijn tijdt verdrijff in mijn ballingschap'. Dat privékarakter vloeit meestal voort uit het feit dat er feiten genoteerd worden, die men liever niet in brede kring bekend weet.

Een motief dat altijd met het schrijven van egodocumenten wordt verbonden is introspectie. Maar als expliciet genoemd motief vinden we het opmerkelijk weinig terug, en dan alleen in teksten van na het midden van de achttiende eeuw. Het eerste moderne journal intime is het reeds genoemde dagboek van Magdalena van Schinne.In een passage uit 1792 is er sprake van een rechtstreekse dialoog met haar dagboek: 'N'importe, mon cher papier je ferai une nouvelle tentative pour vous rendre journellement le dépositaire de mes pensées. Je n'ai d'autre ami d'autre vrai confident que vous. Mon coeur qui cherche à s'épancher, est obligé sans cesse de se replier sur lui-même'. In 1801 schrijft ze: 'O mon cher papier! toi qui fut tant de fois le confident discret de mes peines & de mes plaisirs, deviens le encore a l'avenir, sois mon consolateur et mon ami. Où en trouver ailleurs qui puisse t'être comparé. (...) Ah cher ami, je le répète, deviens de nouveau le dépositaire, de mes pensées & de mes actions & parfois de celle des autres'.

Het enige dagboek dat zich met het hare laat vergelijken is dat van Alexander van Goltstein uit dezelfde tijd. Hij was een jongeman uit een Gelderse adellijke familie, die een dagboek begon toen hij zeventien jaar was. Het loopt van 1801 tot 1808. Hij dacht herhaaldelijk na over zijn motieven om een dagboek bij te houden, of, zoals hij het noemde, 'te denken met de pen'. Hij noemt rationele motieven, zoals geheugensteun of stijloefening, maar de eerste aanzet was een meer gevoelsmatige overweging, zoals blijkt uit de eerste zin, waarin hij spreekt van het 'voornemen om een dagboek van mijn hart te maken'. De reeds genoemde Lavater was aanvankelijk een bron van inspiratie. Alexander herlas zijn dagboek regelmatig, maar dat stemde hem zelden vrolijk: 'Ach! Wanneer zal ik toch enige vordering bemerken? Dit schrijvende sla ik het vorig blad om en vind dezelfde uitroep. Twee jaar later was zijn oordeel positiever: 'Gisterenavond vermaakte ik mij met wat na te lezen in mijn dagboek [...]. Dit nalezen in mijn dagboek [...] verschafte mij veel genoegen, en bevestigde mijn voornemen om er mede voort te gaan'. Alexander gebruikte zijn dagboek dus daadwerkelijk om zijn eigen geestelijke ontwikkeling te volgen. In de loop der tijd kreeg het dagboek een meer reflectief karakter. Het dagboek zelf werd een echt 'journal intime', iets waarvan Alexander zich bewust was. Hij constateerde: 'mijn dagboek is thans de vertrouwde van mijn hart'.(33)

In de loop van de negentiende eeuw vinden we dergelijke sentimenten vaker, en ook bij autobiografen. Cornelius Vollenhoven (1778-1849), advocaat en later ambtenaar, begon zijn autobiografie met de woorden: 'Nu en dan bekruipt mij de lust eine Selbstbiographie te schrijven, ofschoon ik eigenlijk niet weet waartoe dat dienen zal'. Hij kwam niet verder dan negen pagina's. Pieter Harting (1812-1885), zette in het voorwoord van zijn autobiografie, gedateerd juli 1873, zijn doel en motieven uiteen. Hij schreef voor zijn kinderen en kleinkinderen, maar ook uit 'eene door mijzelve gevoelde behoefte om eenen terugblik op mijn eigen levensweg te slaan', en 'mijnen eigenen ontwikkelingsgang na te sporen'.

Vaak is het een persoonlijke crisis die mensen noopt tot schrijven. Een anonieme Rotterdamse koopmansdochter begon in 1785, achttien jaar oud, een dagboek bij te houden na de dood van haar vader.(34) Ook veel 'persoonlijke aantekeningen', werden naar aanleiding van een persoonlijke crisis geschreven; ze handelen over incidenten zoals ruzies, ziekte, of sterfgevallen, en soms betreft het een verslag van een inenting -uitzonderlijk en riskant in de achttiende eeuw- of iets dergelijks. Gebeurtenissen buiten de familiekring vormen eveneens vaak een aanleiding voor het bijhouden van een dagboek, we signaleerden reeds de pieken in jaren van politieke crisis. Hendrik Fagel de Jonge (1765-1838), griffier van de Staten Generaal, hield een dagboek bij in de roerige periode 1785-1795 want, zo schrijft hij, 'De historie van deze tijden is zo remarquabel en interessant dat ik mij voorgenomen heb zoveel mogelijk geen dag te laten voorbij gaan zonder iets aan te teekenen van hetgeen ik hoor en zie'. Het resultaat is meer een kroniekmatig dagboek.

Godsdienstige motieven worden algemeen gezien als een belangrijke impuls voor de ontwikkeling van dagboek en autobiografie. Gewezen wordt dan vooral op de opbloei van beide genre onder puriteinen in het zeventiende eeuwse Engeland. Dat egodocument zou onder hervormden de biecht van het oude geloof zou hebben vervangen is een te simpele voorstelling, maar de nieuwe geloofsonzekerheid moet beslist een belangrijke impuls zijn geweest. Een-vijfde van alle Nederlandse egodocumenten is geschreven vanuit een expliciet religieus motief, de auteurs schrijven 'tot Gods eere', zoals de Middelburgse timmerman Pieter Joossen rond 1600. In zijn geval ging het om een kroniekmatige autobiografie, vaker was ook de inhoud sterk godsdienstig van aard. De Amsterdamse koopman Daniël Delprat begon in 1773 een dagboek 'Au nom de la très sainte Trinité' en begon met de volgende verklaring: 'C'est l'amour, c'est la reconnaisance qui m'ont fait naitre l'idée de commencer ce recueil'.

Het blijkt evenwel dat niet zozeer introspectie het motief bij uitstek was om egodocumenten te schrijven, maar juist communicatie. Veel egodocumenten, misschien zelfs de meeste, werden geschreven voor het eigen nageslacht. In tachtig procent van de gevallen waarin een auteur spreekt over zijn motieven, wordt dit genoemd. De dagboeken en vooral autobiografieën waren bedoeld als een schakel tussen twee generaties. Ze werden door ouders voor hun kinderen geschreven. Misschien geldt dat voor zeker de helft van de hier gebruikte teksten. In veel gevallen blijkt impliciet dat de nazaten het beoogde leespubliek zijn. Maar tal van auteurs hebben het expliciet genoemd. De predikant Gerardus Schepens schreef zijn autobiografie in 1609, drie weken voor zijn dood, '[op]dat mijn lieven kinderen weten zouden, hoedanige genade mij de Here bewezen heeft'. Een andere predikant uit deze tijd, Willem Baudartius, beschreef zijn leven in de hoop dat dit zijn zoon 'ergens in vordelijk zal konnen wezen'. De Haagse schoolmeester en dichter David Beck hield in 1624 een dagboek bij 'om te bewaren tot een zoete gedachtenisse voor mijn lieve kinderen'. De reeds genoemde Rotterdamse koopmansdochter begon in 1785 een dagboek bij te houden met veronderstelling: 'misschien zal 't van eenig nut zijn voor mijn kinderen, als ik die eens zal hebben'.

Ontroerend is de aanhef waarmee J.G.J.de Bretone, geboren in 1711, en rector van de latijnse school te Venlo, zijn autobiografie begon. Deze was bestemd voor zijn drie kinderen, en met name ook voor zijn zoon Joannes, 'aan welke laatste de Almachtige God zijn verstand wedergeve, dat na de kinderziekte verloren is, en hierdoor aan hem genadelijk vergunne deze mijne aantekeningen met begrip te mogen lezen'. De Hoornse kaashandelaar Jan Pet (1799-1862) schreef eveneens voor de kinderen, en zijn autobiografie was bedoeld als vergoeding voor het feit dat hij ze in materieel opzicht ze weinig kon nalaten. Daniël Jordens schreef zijn autobiografie in 1839, naar aanleiding van het vertrek van zijn zoon naar Indië. hij zette erboven 'Nota voor mijnen kinderen', en begon met de uitleg 'dat de denkbeelden van bejaarden voor jongelieden dikwijls nuttig kunnen zijn, al ware het slechts om hen met de wezendlijke zielsgesteldheid van afgestorvene betrekkingen bekend te maken'. Ocker Repelaer (1759-1832), in 1798 gearresteerd wegens contrarevolutionaire activiteiten, vreesde ter dood veroordeeld te worden, en schreef een autobiografie bij wijze van afscheid aan zijn familieleden. Hij hield ook een gevangenisdagboek bij, en is van de voorbeelden van de samenhang tussen de opkomst van de gevangenis en het schrijven van egodocumenten. Er zijn namelijk sinds Jancko Douwama rond 1500 heel wat meer voorbeelden van in gevangenschap ontstane teksten.(35)

Immigranten hadden vaak een extra reden om hun eigen geschiedenis te vertellen aan hun kinderen. Dat geldt bijvoorbeeld voor enkele joodse schrijvers en voor uit Frankrijk gevluchte. Vaak drongen zij er bij hun kinderen op aan vast te houden aan hun geloof. Vergelijkbaar is de Duitse immigrant uit de vroege negentiende eeuw, E.H.Krelage, die in het Duits een autobiografie schreef voor zijn zoon Heinrich 'dass derselbe wissen soll, wo seins Vaters Stammhaus und sein Stamm herkommen'.

Tenslotte moet worden vermeld dat sommige auteurs een lezerspubliek wilde bereiken. Het valt op dat sommige teksten die in eerste instantie voor de familie bestemd zijn toch ook met een anonieme lezer in het achterhoofd geschreven lijken te zijn. De Scheveningse visser Maarten Baak (1779-1847) begon zijn autobiografie bijvoorbeeld met de aanhef: 'Mijn dierbaar kind! Geliefde gade! Of wie dit geschrift in handen mogen krijgen'. Zelfs een zeer persoonlijke tekst als die van Magdalena van Schinne lijkt bedoeld te zijn geweest voor een breder publiek. De schrijfster sprak in elk geval de hoop uit dat iemand haar schrift over honderd jaar zou vinden en het zou uitgeven.

Sommige auteurs schreven kort voor hun dood een korte autobiografie ten behoeve van necrologen, die naar zij meenden reeds popelden om hun levensbericht in krant of tijdschrift te publiceren. Hendrik Collot d'Escury (1773-1845) schreef boven zijn autobiografie: 'Wanneer na mijn overlijden het één of ander mij betreffende wordt begeert, kan men het nevensgaande mededeelen'. Een stap verder ging de generaal C.R.T. Krayenhoff (1758 - 1840). Hij schreef zijn memoires nadat hij 1826 de actieve dienst had verlaten. Hij wilde dat ze na zijn dood gepubliceerd zouden worden, en wees bij testament een tekstbezorger aan. Er zijn meer auteurs die schreven met het oog op posthume publicatie. Eris bijvoorbeeld een autobiografie van de Leidse hoogleraar Willem Jona te Water (1740-1822). Het is een uitvoerig geschrift en de auteur voelde zich genoopt te verantwoorden. Hij verzocht de lezer zijn autobiografie niet te zien als 'een bewijs van schandelijke verwaandheid', immers hij had enkele voorgangers die men dat verwijt evenmin zou kunnen maken, zoals Viglius en Cats. Zijn bescheidenheid beklemtoont hij door op te merken dat hij zijn boek schreef 'in snipper-uren en bij tusschenpozingen'. En wie aan de waarheid mocht twijfelen, kon bij de auteur, of zijn erfgenamen, de 'oorspronkelijke bewijzen' inzien.

De auteur die zijn autobiografie bestemde voor een lezerspubliek had het niet makkelijk, dat blijkt ook uit het geval van de Utrechtse hoogleraar G.J.Mulder (1802-1880). Zijn in twee delen uitgegeven memoires bestaan uit een aaneenschakeling van essayistische stukken. Hij schreef regelmatig autobiografische schetsen 'alsof zij voor de pers bestemd waren na mijn dood', maar ook 'met het zekere voornemen ze te vernietigen'. Dat laatste plan bracht hij ten uitvoer na de stukken eerst nog gecorrigeerd te hebben. Een merkwaardige handelwijze, die getuigt van de spanning die autobiografisch schrijven voor een breed publiek in de negentiende eeuw nog met zich mee bracht. Tussen 1861 en 1877 schreef Mulder stukken die hij aan vrienden ter hand stelde met het doel ze na zijn dood uit te geven. Het lezen van andere levensberichten vormde voor Mulder een voorbeeld 'hoe zulk een bericht niet moest geschreven worden'. Hem ging het erom de 'genesis' te presenteren van de man 'wiens beeld men wil teekenen'. Het resultaat is een meer bespiegelende dan feitelijke tekst, echt openhartig durfde Mulder niet te zijn. Het publiceren van een autobiografie tijdens het leven bleef in Nederland ongebruikelijk. Een van de vroegste uitzonderingen is de autobiografie-op-rijm van Coenraet Drost, die hij in 1723 publiceerde. Het is geen toeval dat het rond 1800 een drietal broodschrijvers, een nieuwe fenomeen, hun levensverhalen reeds tijdens hun leven publiceerden: F.L.Kersteman, Gerrit Paape en Jacob Haafner.(36) In het geval van Kersteman lijkt het alsof hij slechts een nieuwe picareske roman aan zijn oeuvre toevoegde. Een autobiografie bleek een bron van geldelijk gewin te kunnen zijn. Aarzelend zouden er anderen volgen. De gepensioneerde onderwijzer Liewe van Albada (1793-1876) schreef zijn herinneringen mede om er iets mee te verdienen. Hij bekende, niet zonder ironie: '[Ik wil] broodschrijver worden en de vit- en hekelzucht van gestrenge recensenten trotseren'. Zijn levensverhaal verscheen eerst als een reeks arikelen in 't Schoolblad en werd daarna afzonderlijk gepubliceerd. De uitgever prees het werk aan 'als versnapering bij 't ontbijt en de theetafel'. En voordat C.J.Inkrott (1792-1862), gepensioneerd rector van het gymnasium te Veendam, zijn herinneringen te boek stelde, liet hij kopers op het te verschijnen boek intekenen. Hij wilde pas met schrijven beginnen 'toen ik het geachte Publiek leerde kennen, waarvoor ik wilde schrijven'. Toen hij de lijsten met intekenaren onder ogen kreeg besloot hij geen 'eenvoudig verhaal' van zijn 'levensgeschiedenis' te maken, maar zich enkele literaire en filosofische uitweidingen te permitteren. Of dat zijn memoires interessanter maakte kan betwijfeld worden, maar hij kon het met een gerust hart doen, want onder de intekenaren bevinden zich heel wat hoogleraren, burgemeesters, pastoors en predikanten. Aansluitend bij deze ontwikkeling, maar een verhaal apart is de wisselwerking tussen roman en autobiografie, die na 1814 steeds belangrijker werd. Zeker is in elk geval dat schrijvers steeds meer autobiografische elementen in hun fictie gingen gebruiken. En bovendien werden autobiografie en dagboek in de twintigste eeuw een geliefd stijlmiddel voor romanciers.



Conclusie.

Hoewel Nederlandse historici nog altijd sceptisch staan tegenover het egodocument als bron, en hoewel alom gemeend wordt dat Nederlanders nauwelijks openhartig over zichzelf hebben geschreven, bleek een inventarisatie over de periode tot het begin van de negentiende eeuw verrassend veel materiaal op te leveren. Op basis van een nadere analyse van dit materiaal is het mogelijk de grote lijnen van de ontwikkeling van dit genre in Nederland aan te geven. Afzonderlijke teksten kunnen bovendien van grote betekenis zijn voor de sociale en mentaliteitsgeschiedenis, terwijl sommige teksten ook literatuur-historische waarde hebben. Egodocumenten blijven echter door hun veelvormigheid en persoonlijk karakter een eigenzinnig type bron, waarmee vaak moeilijk te werken valt. En niet alle schrijvers zijn zo coöperatief als men verwachten zou. Wat dat betreft is het duidelijkste statement afgegeven door de grote dichter Willem Bilderdijk, die zijn korte autobiografie begint met de onvergetelijke woorden: 'Het leven is mij, van zoo lang mij heugt, pijnlijk, lastig, en ledig gevallen. De meeste bijzonderheden heb ik al vroeg getracht te vergeten, en ik ben hierin voor een groot gedeelte, schoon minder dan ik wenschte, geslaagd'.

(Eerder verschenen in Opossum. Tijdschrift voor Historische en Kunstwetenschappen 3 (1993), p. 5-22)

1. J.Presser, Uit het werk van J. Presser (Amsterdam 1969) p.277-282. Met dank aan Manon van der Heijden en Ingrid van der Vlis voor hun hulp bij het opstellen van de grafieken. Een deel van de tekst werd eerder als lezing gehouden in Leeuwarden voor de Fryske Akademie en in die versie gepubliceerd in Driemaandelijkse Bladen vor Taal en Volksleven in het Oosten van Nederland. De volledige titels van gedrukte en de vindplaats van de als manuscripten overgeleverde egodocumenten die in de tekst genoemd worden, zijn te vinden in: Egodocumenten van Noord-Nederlanders uit de zestiende tot begin negentiende eeuw. Een chronologische lijst, red.R.Lindeman, Y.Scherf en R.M.Dekker (Rotterdam, 1993).

2. Geciteerd in: G.Kalff, Het dietsche dagboek (Groningen: Wolters, 1935), p.211, uit De Gids 1914-II, p.321-322.

3. Hans Warren, Het dagboek als kunstvorm (Amsterdam 1987).

4. Adriaan J.Barnouw, The Dutch. A portrait study of the people of Holland (New York: Columbia U.P., 1940), p.24.

5. K.Poorteman, 'Jacob Cats Twee-en-tachtigjarig leven als autobiografie', in: H.Duits e.a., red., Eer is het lof des deuchts. Opstellen over Renaissance en Classicisme aangeboden aan dr.Fokke Veenstra (Amsterdam, 1986) p.154-161; Vgl. de opmerkingen van M.van Faassen, 'Het dagboek: een bron als alle andere?', Theoretische Geschiedenis 18(1991) p.3-19.

6. Een uitgave verzorgd door A.M.Fafianie, met medewerking van M.W.van Boven en G.W.J.Steijns, verschijn najaar 1993 bij Verloren, Hilversum.

7. A.M.Lubberhuizen-van Gelder, 'Het dagboek van Margaretha Jacoba de Neufville', Maandblad Amstelodamum 53(1966) p.85-94.

8. 'Levensbeschrijving van den, in 1805 overleden, vaderlandschen dichter, mr.J.P.Kleyn', De Recensent ook der Recensenten 2(1807) 71-90, 83.

9. Zie noot 1.

10. Gosse Blom, Repertoarium fan egodokuminten oangeande Fryslan (Ljouwert, 1992).

11. Jacques Voisine, `Naissance et évolution du terme littéraire "autobiographie" in: La littérature comparée en Europe Orientale (Budapest: Akademiai Kiado, 1963) p.278-286.

12. A.M.van der Woude, 'De alfabetisering', in: Algemene Geschiedenis der Nederlanden VII (Haarlem: Fibula/Van Dishoeck, 1980), p.257-264.

13. Madeleine Foisil, 'L'écriture du for privée', in: Philippe Ariès en Georges Duby, ed., Histoire de la vie privée. III, De la Renaissance aux Lumières, (Paris: Seuil, 1986), p.331-369.

14. Wiebe Bergsma, De wereld volgens Abel Eppens Een ommelander boer uit de zestiende eeuw (Groningen: Wolters-Noordhoff, 1988).

15. Het dagboek van David Beck uit 1624, ed.Sv.E.Veldhuizen (Hilversum: Verloren, 1992).

16. Zie: F.A.van Lieburg, Levens van vromen. Gereformeerd piëtisme in de achttiende eeuw (Kampen: De Groot Goudriaan, 1991).

17. S.Tjaden, Eenige aantekeningen en alleen-spraken (Groningen: Jurjen Spandaw, 1727).Een nieuwe editie wordt voorbereid door F.van Lieburg.

18. Zie ook: C.S.M.Rademaker, ed., 'Gerardi Joannis Vossii de vita sua usque ad annum MDCXVII delineatio', Lias 1(1974) p.243-265.

19. Anna Frank-van Westrienen, De Groote Tour. Tekening van de educatiereis der Nederlanders in de zeventiende eeuw (Amsterdam: Noord-Hollandsche Uitgeversmaatschappij, 1983).

20. R.Lindeman, Ego in Clivia Korte en vermakelijke inleiding tot de studie van de vroeg-moderne Nederlandse egodocumenten alsmede de traditie der Kleefse reizen. Met een bijlage over het Kleefse reisjournaal van Willem de Clercq 1835. (Amstelveen, 1990). Amstelveense Gastcahiers no.1.

21. hierover: P.J.Buijnsters, 'Het geheime dagboek van Hieronymus van Alphen', De Nieuwe Taalgids 61(1968) p.73-83.

22. Jo Daan, 'De taal van Aafje Gijsen als bron van het achttiende-eeuws', Anno 1961. Zaans Cultureel-historisch Tijdschrift nr.106 (mei 1988); P.Gerbenzon e.a. ed., Het aantekeningenboek van Dirck Jansz (Grins, 1960), bevat een taalkundige beschouwing door K.Fokkema. Een heruitgave verschijnt voorjaar 1993 bij Uitgeverij Verloren, Hilversum.

23. Peter Burke, 'Heu domine, adsunt Turcae: A Sketch for a Social History of Post-medieval Latin', in: P.Burke en R.Porter, ed., Language, Self and Society. A Social History of Language (Oxford: Polity Press, 1991), p.23-51.

24. W.Frijhoff, 'Verfransing' Franse taal en Nederlandse cultuur tot in de Revolutietijd', Bijdragen en mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden 104(1989), p.592-609.

25. Het dagboek van Magdalena van Schinne (1786-1795), vert. en ed. Anje Dik (Hilversum: Verloren, 1991). Een Franse editie is in voorbereiding bij uitgeverij Coté-femmes, Parijs.

26. Zie R.M.Dekker, 'Sexuality, Elites, and Court Life in the Seventeenth Century: The Diary of Constantijn Huygens Jr' Eighteenth-Century Life. (te verschijnen).

27. Dagboek van Elizabeth Richards. ed. Ingrid Bruning (te verschijnen bij Verloren, Hilversum).

28. Willem Frijhoff, 'Non satis dignitatis...Over de maatschappelijke status van geneeskundigen tijdens de Republiek', Tijdschrift voor Geschiedenis 96(1983), pp.379-407, p.390.

29. Ook in andere landen een belangrijke groep onder de auteurs van egodocumenten, zie: Robert J.Knecht, 'Military autobiographies in sixteenth-century France', in: War, Literature and the Arts in Sixteenth-Century Europe ed.J.R.Mulryne en Margaret Shewring (London: Macmillan Press, 1989), p.4-21, en Margarita Levisi, Golden Age Autobiography: The Soldiers', in: N.Spadaccini en J.Talens ed., Autobiography in Early Modern Spain, p.97-119.

30. Florence Koorn, 'Elizabeth Strouven', in: Guilia Calvi ed., Barocco al femminile (Rome/Bari: Laterza, 1992), p.127-152. Een uitgave is in voorbereiding.

31. S.van der Linde, 'Anna Maria van Schurman en haar Eucleria', Theologia Reformata XXI(1978) 117-144; M.de Baar, '"Wat nu het kleine eergeruchtje van mijn naam betreft...". De Eukleria als autobiografie', in: M.de Baar ed., Anna Maria van Schurman (1607-1678). Een uitzonderlijk geleerde vrouw (Zutphen, 1992),p.93-109.

32. Een studie is in voorbereiding onder de titel '"Uyt de schaduw in 't groote licht'". Kinderen in Nederlandse egodocumenten van de zestiende tot negentiende eeuw' (te verschijnen eind 1993). Over het leesgedrag van Otto van Eck is een artikel in voorbereiding door drs.Arianne Baggerman.

33. Een uitgave door J.Limonard verschijnt voorjaar 1993 bij Verloren, Hilversum.

34. NRC juli 1927; de verblijfplaats van het manuscript, als het nog bestaat, is niet bekent.

35. Rudolf Dekker, 'Gevangeniservaringen in Nederlandse egodocumenten uit de 17e en 18e eeuw', in: C.Fijnaut en P.Spierenburg ed., Scherp toezicht. Van Boeventucht tot Samenleving en Criminaliteit (Arnhem: Gouda Quint, 1990), p.145-165.

36. Over de autobiografie van Kersteman: A.H.Huussen, 'Het leven van F.L.Kersteman (1792) -een autobiografie', in: Feit en fictie in misdaadliteratuur (Amsterdam, 1985) 57-69.